Landschap en leefgebied van het edelhert: het lezen van de omgeving

Of een omgeving geschikt is voor edelherten, hangt af van het landschap. Een geschikt edelhertengebied heeft een gevarieerde structuur en is van voldoende omvang. Het bestaat uit naaldbossen, loofbossen en gemengde bossen, die worden afgewisseld met open ruimten zoals weiden, ruigten, heideveldjes en her en der een akker. Er is stromend water in de vorm van beken, sloten en meertjes. Aansluitend aan de bossen ligt bij voorkeur een groot weidegebied met verspreidliggende akkers, singels en struwelen, dat grenst aan grote open wateren zoals rivieren en meren. De omvang van een geschikt leefgebied voor een populatie edelherten bedraagt minimaal enkele duizenden hectaren. Hierbij moet er voor de dieren uitwisseling mogelijk zijn tussen verschillende leefgebieden.

In een groot deel van Europa (vanaf de Alpen naar het oosten, noorden en westen) is het landschap geschikt voor edelherten. Dat de dieren slechts in kleine delen van dit enorme gebied voorkomen, is door de mens bepaald. Vanwege schade door vraat aan gewassen en bossen en het gevaar van aanrijdingen met edelherten zijn de dieren verdreven uit goede leefgebieden naar gebieden waar de schade beperkt is. Door veranderende inzichten krijgen edelherten nu echter langzaam maar zeker weer de ruimte om terug te keren naar de leefgebieden waaruit ze verdreven zijn.

Onderdelen leefgebied
Binnen het leefgebied maken edelherten op verschillende manieren gebruik van de omgeving. Ze zijn afwisselend in daginstanden en foerageergebieden te vinden. De vaste routes tussen deze onderdelen van het leefgebied worden ' wissels' genoemd. In de daginstanden rusten edelherten en nemen ze een deel van het voedsel tot zich dat ze dagelijks nodig hebben. Het grootste deel vergaren ze echter in de foerageergebieden.

Daarbij zijn ze afwisselend bezig met eten en met herkauwen. Via de wissels lopen de dieren her en der etend van en naar de daginstanden, waarbij ze vooral gericht zijn op het zeker stellen van hun eigen veiligheid. Het verplaatsingsgedrag van edelherten binnen hun leefgebied wordt behalve door het voedsel, bepaald door de heersende windrichting. Edelherten lopen meestal tegen de wind in om zoveel mogelijk geuren op te vangen. Ze lopen daarbij vooral op de heersende hoge windrichting en reageren minder op wisselende windrichtingen op grondniveau.

Edelherten willen altijd rustig de omgeving kunnen waarnemen om zo nodig tijdig te kunnen handelen. Zowel in de daginstanden en de foerageergebieden als op de wissels moeten de dieren daarom overzicht hebben. In de daginstanden en op de wissels hebben de dieren bovendien behoefte aan beschutting. Voor alle gebieden geldt dat er voldoende voedsel beschikbaar en bereikbaar moet zijn.

Edelherten kunnen alleen in een gebied leven als er voldoende verspreidliggende plaatsen zijn die als daginstanden en foerageergebieden gebruikt kunnen worden. Deze gebieden moeten van voldoende omvang en van goede kwaliteit zijn. Het gaat dan om:

  • open ruimten (bijvoorbeeld heide, veenweide en weiland);

  • landschapselementen die bescherming bieden (deze worden 'dekkingen' genoemd);

  • afwisselend open en gesloten bosgebied.

Daarnaast is het van groot belang dat er voldoende variatie is in:

  • de horizontale en verticale structuur van de begroeiing (afwisselend grassen, kruiden, struiken en bomen);

  • voedselaanbod (verschillende voedselbronnen die in verschillende periodes van het jaar beschikbaar en bereikbaar zijn);

  • vochtaanbod (vocht in planten, dauw en open water).

Meer weten over het edelhert? Adviseur Rob Borst van IPC Groene Ruimte heeft een prachtig boek geschreven over het edelhert waarin diverse onderwerpen aan bod komen. Het boek is online te bestellen via de online boekenwinkel van IPC Groene Ruimte.

Originele datum blogpost: donderdag 27 januari 2011

Reageer

UW GARANTIE

Garantie_logos

VOLG ONS OP

Twitter Fb LinkedIn Logo Google+


© IPC Groene Ruimte 2012

IPC Groene Ruimte Koningsweg 35 Arnhem T: 026 - 35 50 100



Website by BuroAchterhoek.nl