IPC Groene Ruimte maakt gebruik van cookies en daarmee vergelijkbare technieken om jou een optimale bezoekerservaring te bieden, om je relevante informatie aan te bieden en om jouw surfgedrag te meten. Met deze cookies kan IPC Groene Ruimte jouw internetgedrag binnen deze website volgen. Zodoende kan IPC Groene Ruimte advertenties aanpassen aan jouw interesses en kun je informatie delen via social media. Door op ‘OK’ te klikken, ga je hiermee akkoord.

OK

Het product is toegevoegd aan uw winkelwagen!

Naar winkelwagen Verder winkelen

Helaas, het product is niet meer beschikbaar.

Sluiten

Aan de slag met Natuur in de omgevingswet.

18 juni 2021

door: Eddy Schabbink

Om onze omgeving levend te houden moeten we leren combineren! 

De huidige vorm van Ruimtelijke Ordening is passé. Onze Rijksoverheid geeft met de komst van de nieuwe Omgevingswet invulling aan een nieuwe vorm van ordening waarbij integreren (van functies) het kernwoord is. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft hiervoor al een aardige voorzet. 

De nieuwe omgevingswet is een bundeling van bestaande wetten, die het regelen van- en de regels voor ruimtelijke ontwikkeling eenvoudiger moeten maken. De Wet Natuurbescherming is een van de wetten die opgaat in de Omgevingswet. Omgevingsvergunningen zullen vanaf de ingangsdatum (1 juli 2022) ook op het onderdeel Natuur in de Omgevingswet getoetst worden. 

De huidige manier van werken in het kader van de WRO (Wet Ruimtelijke Ordening) ten opzichte van de aankomende Omgevingswet (1 juli 2022) beschouwd vanuit het onderwerp Natuur leidt tot twee inzichten: 

  1. Natuur bestaat niet als een bestemming met een gebied specifieke functie. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld functies als wonen, werken, verplaatsen, ondernemen et cetera. Natuur is kennelijk nergens en toch overal! 

  1. Onder de huidige WRO wordt vooral gedacht in termen van locaties die een functie moeten vervullen terwijl de Omgevingswet redeneert vanuit de mogelijke functies die locaties kunnen vervullen. Voorbeeld: binnen de WRO heeft een industriegebied als functie ondernemen (moeten). De Omgevingswet redeneert vanuit een integrale aanpak. Waarom is een industriegebied naast ondernemen niet geschikt voor sporten en/of recreëren. Het omdenken van locatie gericht moeten naar zone gericht kunnen leidt tot andere inzichten.  

Conclusie op basis van punt 1. is dat Natuur als domein in vele opzichten niet of onvoldoende wordt meegenomen in de huidige WRO terwijl het een positieve invloed heeft op diverse actuele thema’s maar niet als eerste in ons opkomt in de aanpak van deze thema’s. Technische oplossingen worden vaak als eerste aangedragen waarbij niet gerealiseerd wordt dat de Natuur al eeuwenlang oplossingen voor veel bestaande problematiek biedt.  

Conclusie op basis van punt 2. is dat de Omgevingswet juist wel de mogelijkheden van het combineren van functies stimuleert zolang deze elkaar niet uitsluiten. Dit inzicht geeft een andere blik op het gangbare dogma van ruimtegebrek in Nederland. Is het probleem wel ruimtegebrek? 

Onder de aankomende Omgevingswet is het niet zo maar vanzelfsprekend dat Natuur wel een prominente en fundamentele positie inneemt in het Omgevingsplan. Ondanks de potentie om sterk bij te dragen aan veel van huidige actuele thema’s die spelen in de fysieke leefomgeving is het vaak niet het eerste onderwerp dat meegenomen wordt. Het is ook niet realistisch om overal maximaal op Natuur in te zetten en het is dan ook van belang om te komen tot een optimale functie vervulling van gebieden waarbij de verschillende belangen goed en evenwichtig worden afgewogen.  

De nieuwe Omgevingswet bundelt en moderniseert de wetten door een samenhangende benadering van de voor de leefomgeving. De Wabo (wet algemene bepalingen omgevingsrecht) bestaat al sinds 2010.  De Wabo is de basis voor een groot deel van de vergunningen in het domein van de fysieke leefomgeving. Met komst van de nieuwe Omgevingswet speelt duurzaamheid ook een belangrijke rol in het Omgevingsrecht.  

In de Omgevingswet wordt duurzaamheid gedefinieerd als ‘het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van alle mensen op aarde, hier en nu, elders en later’ waarbij het onder meer gaat over ‘een schoon milieu en een duurzame energievoorziening, het concurrentievermogen van de economie, de toekomstbestendigheid van de zorg, ontwikkelingssamenwerking, onderwijs, cultureel erfgoed, werkgelegenheid en het financiële systeem ‘. Een omschrijving van duurzame ontwikkeling die voortkomt uit het VN rapport “Our common future”. In 2015 heeft de VN deze duurzame ontwikkeling vertaald in de 17 SDG’s. Doelen voor een betere wereld die in 2030 bereikt moeten zijn. Het is dan ook niet vreemd dat de SDG’s als kapstok voor het bepalen van ambities/doelen worden gebruikt. Uitdaging is nu nog wel om er serieus werk van te gaan maken en zorg te dragen voor een Omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving die waarde toevoegt aan de maatschappij, het economisch systeem en de natuur. 

Het is dan ook essentieel een goed afgewogen optimale functie invulling binnen de fysieke leefomgeving te realiseren. Daarvoor wordt bijgaand plaatje gebruikt.   


Hoe duurzaam zijn de concrete ambities/doelen wanneer ze langs de “meetlat” sociaal/maatschappelijk, economisch en ecologisch worden gelegd? Is er dan sprake van een duurzaam evenwicht die rechtvaardigheid, leefbaarheid en houdbaarheid waarborgt?  

De methodiek die we daarvoor gaan toepassen is de PCI (Principes, Criteria en Indicatoren) methode. De principes komen voort uit de ambities/doelen die we gesteld hebben op basis van de SDG’s. Het concreet en smart benoemen van de principes is lastig en vraagt de nodige denkkracht. Het bepalen van de bijbehorende criteria is nodig om te gebruiken als basis voor het stellen van zowel de kwantitatieve als kwalitatieve resultaten waarop gestuurd wordt. Als laatste wordt vastgelegd welke indicatoren (effecten) beoogd worden op basis van de gestelde ambities/doelen. Dit betekent vooral de juiste keuzes maken. Welke indicatoren zijn haalbaar, meetbaar en doen recht aan de gestelde ambities/doelen. De keuze van de juiste indicatoren is ook afhankelijk van de benadering; de beoogde effecten op het sociaal/maatschappelijke aspect zullen anders zijn dan die op het economische of het ecologische aspect. 

Een voorbeeld: 
De gemeente stelt op basis van SDG 15 “Leven op het land” als ambitie/doel dat zij de biodiversiteit binnen haar werkgebied op orde wil hebben. Een weinig concrete ambitie en daarmee lastig om op te sturen. We maken deze concreet/smart door er heldere principes aan te verbinden. In dit voorbeeld doen we dat door structuurvariatie (gras, heesters, bomen, kruiden et cetera) als minimaal percentage te verwezenlijken oppervlakte van het areaal te benoemen. Met heldere, kwantitatieve en kwalitatieve criteria wordt dit meetbaar gemaakt. Denk hierbij aan het percentage oude bomen, percentage heesters, percentage kruiden, hoeveelheid dood hout etcetera).  

Het kiezen van een indicator is afhankelijk van de ecologische, economische of sociaal/maatschappelijke benadering. In geval van ecologie is als indicator dan bijvoorbeeld de soortgroepen struweelvogels en zangvogels een voorbeeld. Het ecologisch effect van het verbeteren van de structuurvariatie wordt hiermee afgemeten aan specifieke vogelgroepen. Een economische indicator kan betere plaagbeheersing zijn of een hogere vastgoedwaarde. Als sociaal/maatschappelijke indicator is welzijn en gezond een voorbeeld. In alle drie de gevallen is het van belang de indicator zo te kiezen dat het monitoren haalbaar en betrouwbaar is.  

Het uiteindelijke doel is om op basis van de gestelde ambities/doelen die voortkomen uit de SDG’s te komen tot een optimale functie invulling van de verschillende domeinen in de fysieke leefomgeving. Een puntentelling/waardering op ecologie, economie en sociaal/maatschappelijk lopend van zeer goed tot zeer slecht (daartussen goed, neutraal en slecht) is een mogelijke keuze. 

De methodiek geeft handvatten om te komen tot de juiste keuzes gebaseerd op een evenwichtige samenhang tussen economische, ecologische en sociaal/maatschappelijke waarden. De rol van de Natuur in de verschillende actuele thema’s wordt hiermee duidelijk en laat ook de toegevoegde waarde zien van de Natuur op die thema’s.  

Om te voorkomen dat Natuur net zoals in de WRO ook onder de Omgevingswet onvoldoende aandacht krijgt is het essentieel een Natuurstructuur te maken die als fundament en als kader gebruikt wordt om toekomstige ontwikkelingen te toetsen. Huidige thema’s als natuurinclusief ontwerpen en bouwen, natuurlijke waterberging, natuurlijke koeling, CO2 binding, regeneratieve landbouw, voedselbossen et cetera worden pas bruikbaar als er een concreet toetsingskader bestaat waaruit voor de initiatiefnemer helder naar voren komt waaraan moet worden voldaan om voor een omgevingsvergunning in aanmerking te komen.  

Een Natuurstructuur is niet te vergelijken met een groenstructuur. In bijgaand kader hierover meer uitleg. Een Natuurstructuur geeft helder inzicht in de groen/blauwe leefomgeving en dient als basis voor de verdere ontwikkelingen. I.t.t. de nu vaak gangbare manier van ontwikkelen legt het de basis voor een positieve invulling van actuele thema’s die spelen in de fysieke leefomgeving. Het geeft antwoorden op onze sectorale kijk op bijvoorbeeld energietransitie, klimaatadaptatie, hittestress, waterberging, biodiversiteit in relatie tot woningbouw, kantorenparken, sportcomplexen, industrieterreinen et cetera. Een passende Natuurstructuur draagt zowel positief bij aan de thema’s als aan de functie invulling van de gebieden. 

Uitgangspunt is ook niet om Natuur als maximaal in te zetten maar juist als optimaal. Kerngedachte is en blijft invulling geven aan de 4 pijlers van de Omgevingswet en recht te doen aan het Omgevingsrecht. 

 

GROEN IS SECTORAAL, NATUUR IS INTEGRAAL

Groen wordt in de volksmond regelmatig gelijkgesteld aan natuur terwijl groen maar een klein onderdeel van natuur is. Deze opvatting is dan ook te beperkt; de natuur als het complexe geheel van natuurlijke processen is immers niet gebonden aan een bepaalde locatie. De natuur is overal, op de Veluwe evengoed als aan een gevel, langs de snelweg, op een dak of in een gracht. Natuur wordt immers bepaald door natuurlijke processen die zich overal afspelen. Denk hierbij aan de abiotische factoren (met name licht, lucht, water, bodem en temperatuur), concurrentie tussen dieren onderling, tussen planten onderling, tussen planten en dieren en nog veel meer. In de nieuwe Omgevingswet is natuur (als integraal begrip) een thema dat de fysieke leefomgeving en dus ons allen raakt, zeker omdat het in veel (stedelijke) functies kan worden geïntegreerd. De sectorale benadering, waar groen naast andere bestemmingen staat, is niet langer adequaat om de integratie van natuur in de fysieke leefomgeving te bewerkstelligen. De wetgever heeft dat met de nieuwe Omgevingswet goed gezien. Binnen de Omgevingswet kan natuurinclusiviteit echt tot zijn recht komen zodat natuur niet meer achteraf hoeft te worden gecompenseerd, maar al op voorhand in de ruimtelijke ontwikkeling wordt meegenomen. 

 

Speciaal voor beheerders en beleidsmakers die actief zijn beheer en/ of beleid van de fysieke leefomgeving is een workshop Natuur in de Omgevingswet ontwikkeld. Hiermee is de workshop van IPC geschikt voor Gemeentes, Waterschappen, Provincies, Omgevingsdiensten, Regionale Uitvoeringsdiensten, recreatieschappen en terreinbeherende organisaties. Voor meer informatie klik hier

Deel deze pagina

Terug naar overzicht
Meer informatie? Neem contact met ons op Contact

Waarom IPC?

Bezoekadres

Koningsweg 35,
6816 TG Arnhem

Postadres

Postbus 393,
6800 AJ Arnhem

Iedere werkdag geopend van 08:00 tot 17:00 uur.

Telefoon 026 35 50 100
Fax 026 44 55 629
Email info@ipcgroen.nl